|
BRON: Luister Magazine: juli/augustus 2007
De Klerk: Voorspelen gezangen 248 en 125 - Octo fantasiae super thernata
gregoriana - Parafrase over Vexilia regis -Dominica XVIl post pentecosten -
Variaties over O Jesu soet, verleen mi doch confoort - Koraalroorspel
Christe, du bist licht ende dag - 2 delen uit 10 Orgelwerken - 2 delen uit
10 Inventionen - Een kindekijn is ons geboren - Rustig Capriccio voor
Bernard Bartelink - 2 delen uit 12 images - Postludium.
Gemma Coebergh (orgel).
Prestare ZWF 3331542 + DDD-64’
-------------------------------
Een virtuoze passage van stijgende gebroken akkoorden in een
forte-registratie, trillers met statige samenklanken en de openingsfrase
eindigend in een open kwint: direct vanaf het begin beleeft de luisteraar
wat Albert de Klerk zijn leven lang typeerde: musiceervreugde. De Klerk was
geen componist van grootse fresco’s, vooral zijn kleine werken getuigen van
een gezonde smaak voor modaliteit, ritmiek en klankkleur. Kerkmodi en
polyfonie pikte hij als kind op bij het beluisteren van het kerkkoor waarvan
zijn vader dirigent was; organist en De Klerks voorganger in de ‘Joseph’(met
‘ph’!) Hendrik Andriessen bracht hem de liefde voor het improviseren bij.
Tot de latere invloeden behoren die van o.a. Langlais en Duruflé,
componisten die hij grenzeloos bewonderde (ik hoorde zelfs enige passages a
la André Fleury). Toch was De Klerk een omnivoor: muziek van Reda of
Hindemith speelde hij net zo graag als Cabanilles en Arauxo. Het moest wel
allemaal verantwoord zijn: geen trivialiteiten als Lefébure-Wély, maar
gezonde degelijkheid met een traan én een glimlach. De Klerk was een
polyfonist, neoclassicist (als organist/componist géén aanhanger van de
neobarok, hoewel de registraties van de Octo fantasiae daartoe wel neigen),
romanticus én een oecumenisch opererend musicus (zie de talrijke opdrachten
voor het Liedboek van de Kerken, waarvan hier twee prachtige voorbeelden).
Na een 64-jarig titulairschap - hij overtrof dat van Widor met enkele
maanden – nam zijn oud-leerling Gemma Coebergh de roemrijke Haarlemse post
over. Zij weet de kenmerkende elementen schitterend bijeen te houden en als
zodanig te interpreteren. Uit het omvangrijke oevre laat zij juweeltjes,
soms nog niet eens uitgegeven, horen. Met de door De Klerks leerling
Baumgratz ingespeelde grotere werken (zie Luister jan.’98, p.41) is een
completer beeld ontstaan van een organist die het Haarlemse muzikale klimaat
lang beheerste. – R.V.
BRON: Luister Magazine: juli/augustus 2007 |